Een van de meest voorkomende spoedoperaties bij de hond is een pyometra (letterlijk betekent dit: baarmoeder gevuld met pus) of wel baarmoederontsteking.

Vaak zien we dit bij wat oudere ongesteriliseerde honden die al vaker loops zijn geweest.
Hoge hormoonspiegels, die de hond tot wel 10 weken na de loopsheid heeft, zorgen ervoor dat de baarmoedermond open blijft staan. Dit leidt ertoe dat het baarmoederslijmvlies vatbaar is voor infecties met bacteriën. Soms zie je dan ook na de loopsheid nog vieze uitvloeiing maar het wordt gevaarlijker als de baarmoeder afgesloten is en alle pus zich in de baarmoeder ophoopt.

Bij zo’n “gesloten pyometra” wordt de hond erg ziek. Meestal 2- 3 maanden na de loopsheid wordt de hond wat lustelozer, eet wat slechter, braakt af en toe, en heel opvallend: gaat erg veel drinken en plassen. Als de hond door de pusophoping te veel gifstoffen in haar lichaam krijgt, kunnen ze plotseling erg achteruit gaan: de hond wordt erg sloom, heeft hoge koorts, en wil niet meer eten/ drinken. Op de praktijk wordt dan d.m.v. buikonderzoek en eventueel een echo een pyometra vastgesteld.

De hond moet vaak met spoed worden geopereerd omdat de baarmoeder kapot kan springen en de gifstoffen blijvende lever- en nierschade kunnen veroorzaken. Een deel van de honden is door de ontsteking in een dusdanige conditie dat voor de operatie eerst door middel van infuus de ontstane shock opgeheven moet worden. Zo gaat de hond met een minder hoog narcoserisico de operatie in.

Tijdens de operatie worden zowel de eierstokken als de baarmoeder verwijderd (de baarmoeder gevuld met pus kan wel tot 4 kg wegen). Na de operatie knapt de hond vaak erg snel op en is na een paar dagen al weer de oude.

Deze problemen kunnen dus al ontstaan door een normale loopsheid . We zien het vaker bij honden die na de loopsheid schijnzwanger worden. Ook het geven van een antiloopsheidinjectie geeft een hoger risico op een baarmoederontsteking. Door deze prik staat de baarmoeder eigenlijk continu onder invloed van een hoge hormoonspiegel en bestaat een grote kans op het ontstaan van cystes op eierstokken.

Wanneer u geen nestje van de hond wilt, is het verstandig om de hond al op jonge leeftijd te laten steriliseren. Het beste moment om te steriliseren is 3-4 maanden na de eerste loopsheid. Vaak hoeven dan alleen de eierstokken te worden verwijderd.

Vindt de sterilisatie plaats voor de tweede loopsheid dan is er tevens 90% minder kans op het ontstaan van kwaadaardige melkkliertumoren op latere leeftijd. Zeker bij 25 % van de oudere niet gesteriliseerde honden ontstaan één of meerdere melkkliergezwellen op oudere leeftijd die vaak moeilijk te verwijderen zijn.

De sterilisatie is een betrekkelijk geringe ingreep, de hond kan de zelfde dag weer naar huis, en is vaak ook maar een dag wat suffer door de narcose. Na tien dagen mogen de hechtingen er al weer uit en mag de hond weer alles doen wat ze wil.

Door te kiezen voor een relatief simpele ingreep op jonge leeftijd voorkomt u zo dus een risicovolle ingreep op latere leeftijd.