Longworm bij de hond en kat

Naast de algemeen bekende maagdarmparasieten horen we de laatste jaren steeds vaker over besmettingen met longworm. Longworm kan zowel bij de hond als de kat voorkomen, en wordt wat vaker gezien bij jonge dieren. In Nederland komen meerdere soorten longworm voor. Onze huisdieren kunnen besmet worden door het opeten van besmette slakken en andere kleine dieren. Steeds meer slakken zijn besmet met deze longworm waardoor het risico, dat onze huisdieren er mee besmet worden, steeds groter wordt.

Bij de hond zien we meestal de Franse hartworm (Angiostrongylus vasorum). Wat een beetje een misleidende naam is aangezien de wormen in de longaders zitten en niet in het hart. Bij de kat zien we meestal Aelurostrongylus abstractus.

Hoe worden onze huisdieren besmet?

De hond of  kat wordt besmet door het opeten van larfjes. Deze larfjes dringen door de darmwand heen en gaan vervolgens via de lever en het hart naar de longen. Tegen de tijd dat ze daar aan gekomen zijn ze volwassen geworden. Deze volwassen wormen van 1.5 tot 2.5 cm lang nestelen zich in de kleine longslagaders. Alle volwassen wormen leggen eitjes die weer jonge larfjes worden. Als een dier niet behandeld wordt,  kunnen deze volwassen wormen erg lang aanwezig blijven en dus eitjes blijven leggen. Deze eitjes of larfjes dringen door de wand van de longblaasjes heen en worden vervolgens opgehoest. De hond of kat slikt deze door waarna ze via de ontlasting in de buiten wereld terecht komen. Deze larfjes worden vervolgens opgegeten door slakken die als tussengastheer optreden. Deze word weer opgegeten door de hond of kat waarna de cyclus weer van vooraf aan begint. Besmetting kan ook optreden door het opeten van bijvoorbeeld een muis,vogel of hagedis die een besmette slak opgegeten heeft.

Wat zijn de symptomen?

De symptomen die we zien bij longworm kunnen erg wisselend zijn en de ernst hangt af van de mate van de infectie. De hoeveelheid wormen bepaald de gevolgen van de schade van de trektocht door het lichaam en de gevolgen in de longen.

Hoesten  en eventueel benauwdheid vallen vaak het meeste op. Een longontsteking kan optreden. Is er sprake van een ernstige infectie dan zijn de dieren meestal wat minder in conditie en vermageren, de eetlust en het uithoudingsvermogen kunnen verminderd zijn. Zijn er erg veel wormen die longvaten verstoppen dan krijgt het hart problemen om het bloed naar de longen te pompen waardoor in heel ernstige gevallen verschijnselen van hartfalen op kunnen treden of een dier zelfs kan overlijden.

Hoe stellen we de diagnose?

Omdat de eitjes/ larfjes van de longworm opgehoest en doorgeslikt worden kunnen we deze aantonen in de ontlasting van de hond/kat. Omdat er niet dagelijks evenveel eitjes/larfjes uitgescheiden worden is het verstandig om het onderzoek op een mengmonster van drie dagen te doen of anders bij een negatief resultaat meerdere dagen in te zetten.

Longworm vinden we niet bij het gebruikelijke ontlasting onderzoek op wormeieren. We moeten hiervoor een speciale techniek gebruiken, de zogenaamde Baermann methode.

Op een röntgenfoto van de borstholte zijn vaak duidelijke afwijkingen in de longen te zien. De wormen zelf zijn niet op de foto te zien. De veranderingen zijn ook niet typisch voor longworm maar kunnen ook gezien worden bij bronchitis of een longontsteking. De definitieve diagnose zal dus gesteld moeten worden door middel van een ontlastingonderzoek.

De behandeling

Er zijn inmiddels meerdere middelen geregistreerd voor het behandelen van longworm. Ontwormingstabletten met milbemycine kunnen gebruikt worden voor de behandeling van longworm, er moet dan 4 keer ontwormd worden met een week tussentijd. Ook de vlooienpipetjes met imidacloprid/moxidectine zijn geschikt, deze moeten minsten 2 keer gegeven worden met 1 maand tussentijd.

Longworm is prima te behandelen. De trektocht door het lichaam van de larfjes en de gevolgen van de aanwezigheid van de volwassen wormen kan echter wel voor restschade zorgen. Zo zien we regelmatig chronische bronchitis als gevolg van de schade/ irritatie in de longen. Voorkomen is dus beter dan genezen. Bij dieren die veel slakken eten of  prooidieren vangen, zou het daarom aan te raden zijn om maandelijks te ontwormen.